Drie professionals bespreken documenten

Spoor 1, spoor 2 en spoor 3: wanneer zet u welk spoor in?

Spoor 1, spoor 2, en soms valt de term spoor 3. Wie welk spoor wanneer moet inzetten is voor veel werkgevers en casemanagers minder vanzelfsprekend dan de nummering doet vermoeden. Zeker omdat de sporen elkaar niet netjes opvolgen: ze lopen vaak naast elkaar, en de keuze ertussen moet elke keer onderbouwd zijn.

Spoor 1: terugkeer bij de eigen werkgever

Spoor 1 is altijd het vertrekpunt. Daaronder valt meer dan alleen terugkeer in de eigen functie:

  • hervatting in het eigen werk, eventueel in opbouw;
  • het eigen werk aangepast maken, met hulpmiddelen, een andere taakverdeling of aangepaste werktijden;
  • ander passend werk binnen de eigen organisatie, ook op een andere afdeling of locatie.

Spoor 1 sluit u pas af wanneer onderbouwd vaststaat dat er geen reële mogelijkheden meer zijn. Dat vraagt om meer dan de constatering dat er op dit moment geen vacature is: UWV wil zien dat de organisatie daadwerkelijk is doorgelicht op passende functies en op wat er met aanpassingen mogelijk zou zijn.

Spoor 2: passend werk bij een andere werkgever

Spoor 2 richt zich op passend werk buiten de eigen organisatie. Het start uiterlijk na de eerstejaarsevaluatie wanneer structurele terugkeer intern niet wordt verwacht, en eerder zodra dat al eerder duidelijk is. Wachten tot het laatste moment is de meest gemaakte fout in verzuimdossiers, en een van de vaakst genoemde redenen voor een loonsanctie.

Twee misverstanden komen steeds terug. Het eerste: spoor 2 starten betekent niet dat spoor 1 stopt. Beide sporen kunnen en mogen naast elkaar lopen, en dat is vaak ook verstandig, want de situatie kan veranderen. Het tweede: spoor 2 is geen sollicitatietraining. Het is een gericht traject naar werk dat past bij de vastgestelde belastbaarheid, en dat vraagt dus eerst om een helder beeld van wat iemand nog kan.

Spoor 3: re-integratie na de wachttijd

Spoor 3 is geen formele wettelijke categorie, maar praktijkjargon. Het gaat om begeleiding naar werk ná de wachttijd van 104 weken, wanneer spoor 1 en spoor 2 niet tot een duurzame oplossing hebben geleid en de medewerker een WGA-uitkering heeft.

Het speelt vooral bij werkgevers die eigenrisicodrager voor de WGA zijn. Zij dragen de uitkeringslast zelf en houden ook de re-integratieverantwoordelijkheid: hoe eerder iemand weer aan het werk is, hoe lager de kosten. Ook zonder eigenrisicodragerschap kan spoor 3 zinvol zijn, bijvoorbeeld wanneer een gedeeltelijk arbeidsgeschikte medewerker in dienst blijft en er nog perspectief is op uitbreiding van de uren.

Let op: spoor 3 is dus iéts anders dan de herstelperiode na een loonsanctie. Dat verlengde jaar is geen apart spoor, maar een voortzetting van spoor 1 en spoor 2 waarin de door UWV benoemde tekortkomingen alsnog worden hersteld.

Wanneer schakelt u van spoor 1 naar spoor 2?

Dat is de vraag waar het in de praktijk om draait, en de wet geeft er geen datum voor. Wel drie bruikbare ijkpunten:

  • Zodra de bedrijfsarts blijvende beperkingen vaststelt die het eigen werk structureel uitsluiten. Wachten op de eerstejaarsevaluatie is dan tijdverlies.
  • Bij de eerstejaarsevaluatie is het besluitmoment. Is er dan geen concreet, onderbouwd perspectief op structurele terugkeer binnen de organisatie, dan hoort spoor 2 te starten.
  • Bij stagnatie zonder duidelijke oorzaak. Als niemand meer kan benoemen waarom het niet vordert, ontbreekt meestal het arbeidsdeskundige beeld.

Fouten die het vaakst terugkomen

  • Spoor 1 afsluiten met de mededeling dat er geen vacature is, zonder de organisatie echt te hebben doorgelicht.
  • Spoor 2 pas starten in het tweede ziektejaar, zonder onderbouwing waarom dat mocht wachten.
  • Spoor 1 beëindigen op het moment dat spoor 2 begint, terwijl er intern nog perspectief was.
  • Een spoor 2-traject inkopen zonder actueel beeld van de belastbaarheid, waardoor er op de verkeerde functies wordt gezocht.

De rode draad: onderbouwing

Bij elk spoor geldt hetzelfde: de keuze moet uit te leggen zijn, richting de medewerker én richting UWV. Niet achteraf, maar op het moment zelf. Het arbeidsdeskundig onderzoek is daarvoor het aangewezen instrument: het beantwoordt de vragen die aan de spoorkeuze voorafgaan — wat kan er nog, wat is er passend te maken, wat is er intern beschikbaar — en legt de afweging toetsbaar vast. Zo voorkomt u dat u bij de RIV-toets moet reconstrueren waarom u destijds koos zoals u koos.

Lees ook wanneer een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is en wat UWV toetst in het re-integratieverslag.

Vragen over wat dit voor uw dossiers betekent? Leg uw casus voor aan AD-Consult.