Wanneer is een arbeidsdeskundig onderzoek nodig?
Bij de meeste verzuimdossiers is de route helder: de medewerker herstelt en keert stap voor stap terug in het eigen werk. Maar soms wordt het beeld minder duidelijk. Het herstel stagneert, de mogelijkheden binnen de functie zijn beperkt of werkgever en medewerker twijfelen over de koers. Op dat moment is een arbeidsdeskundig onderzoek vaak de logische volgende stap. De vraag is alleen: wánneer precies?
Herkenbare signalen
Een arbeidsdeskundig onderzoek is doorgaans zinvol wanneer zich een of meer van deze situaties voordoet:
- de bedrijfsarts stelt blijvende of langdurige beperkingen vast;
- het is onduidelijk of het eigen werk nog passend is of passend te maken is;
- de re-integratie vordert niet, ondanks inspanningen van beide kanten;
- werkgever en medewerker verschillen van inzicht over wat haalbaar is;
- er is aangepast werk gevonden, maar niemand kan onderbouwen of dat structureel houdbaar is;
- de eerstejaarsevaluatie nadert en de koers voor het tweede ziektejaar moet worden bepaald.
Het juiste moment in de poortwachter-tijdlijn
De Wet verbetering poortwachter noemt de arbeidsdeskundige nergens en schrijft dus geen vast moment voor. Toch heeft de tijdlijn van het eerste en tweede ziektejaar een aantal punten waarop een onderzoek zichzelf vrijwel altijd terugverdient:
- Week 6 tot 8, na de probleemanalyse. Zelden nodig, maar wél als de bedrijfsarts direct forse beperkingen vaststelt en het plan van aanpak anders op aannames wordt gebouwd.
- Rond week 42, bij de 42e-weeksmelding. Het verzuim is inmiddels langdurig. Een onderzoek geeft nu richting aan de tweede helft van het eerste jaar, terwijl er nog tijd is om bij te sturen.
- Week 46 tot 52, vóór de eerstejaarsevaluatie. Dit is het meest gekozen moment, en terecht. Rond het einde van het eerste ziektejaar maken werkgever en medewerker samen de balans op. Een onderzoek kórt daarvoor geeft een onderbouwd antwoord op de vraag of de huidige koers nog de juiste is en voorkomt dat het tweede jaar op aannames wordt ingegaan.
- Week 88 tot 93, in de aanloop naar de WIA-aanvraag. Het re-integratieverslag wordt samengesteld. Ontbreekt een arbeidsdeskundige onderbouwing van de gemaakte keuzes, dan is dat het moment waarop dat pijnlijk zichtbaar wordt.
De vuistregel: hoe eerder in het traject een keuze wordt gemaakt die het vervolg bepaalt, hoe waardevoller een onafhankelijke beoordeling op dat moment is.
Wanneer een onderzoek nog niet nodig is
Niet elk dossier vraagt erom, en een onderzoek dat te vroeg komt beantwoordt vragen die nog niet spelen. Wacht in elk geval nog even wanneer:
- de bedrijfsarts volledig herstel binnen afzienbare tijd verwacht en de opbouw op schema ligt;
- de belastbaarheid nog sterk in beweging is, waardoor elke momentopname binnen een maand achterhaald is;
- de kern van het probleem een arbeidsconflict is en geen inzetbaarheidsvraag. Dan is mediation de eerste stap; een arbeidsdeskundige beoordeelt werk en belastbaarheid, geen verhoudingen.
Twijfelt u of uw situatie hieronder valt? Leg de casus vrijblijvend voor. Ook wij adviseren geregeld om nog even te wachten, of om eerst een kort arbeidsdeskundig consult in te zetten in plaats van een volledig onderzoek.
Wat te laat inzetten u kost
Te vroeg is zonde van het geld. Te laat is duurder. Wie pas in het tweede ziektejaar duidelijkheid zoekt, verliest kostbare maanden voor spoor 2 en komt bij de RIV-toets in de knel. UWV beoordeelt dan of werkgever en medewerker voldoende hebben gedaan én of de gemaakte keuzes navolgbaar zijn onderbouwd. Ontbreekt die onderbouwing, dan kan UWV de loondoorbetalingsplicht verlengen met maximaal een jaar. Dat is doorgaans een veelvoud van wat het onderzoek had gekost.
Wat het onderzoek oplevert
De arbeidsdeskundige beantwoordt de vier kernvragen van de re-integratie: kan de medewerker het eigen werk nog uitvoeren, is het eigen werk passend te maken, is er ander passend werk binnen de organisatie, en welke mogelijkheden zijn er daarbuiten (spoor 2)? Daarvoor vergelijkt de arbeidsdeskundige de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst van de bedrijfsarts, met de feitelijke belasting van het werk, en kijkt naar reële aanpassingsmogelijkheden.
Het resultaat is geen stapel papier, maar duidelijkheid: een onafhankelijk en onderbouwd advies over de vervolgrichting, waarmee werkgever en medewerker samen verder kunnen. Hoe zo’n rapport is opgebouwd leest u in Het arbeidsdeskundig rapport: wat mag u ervan verwachten?
Wie vraagt het onderzoek aan?
Meestal de werkgever, vaak op advies van de bedrijfsarts of de casemanager. Arbodiensten en verzuim- en casemanagementorganisaties schakelen het onderzoek ook rechtstreeks in voor hun opdrachtgevers. En de medewerker? Die kan er zelf om vragen, en kan daarnaast bij UWV een deskundigenoordeel aanvragen als hij of zij het niet eens is met de koers. Meewerken aan een redelijk verzoek tot onderzoek hoort bij de re-integratieverplichtingen van beide partijen.
Hoe het praktisch werkt
Na de aanvraag scherpen we de vraagstelling aan en koppelen we een geregistreerde arbeidsdeskundige aan het dossier, passend bij sector, regio en eventueel specifieke problematiek. Het onderzoek omvat dossierstudie, gesprekken met werkgever en medewerker en een beoordeling op de werkplek. Daarna volgt een rapport met een onderbouwd advies over spoor 1 en spoor 2, dat met beide partijen wordt besproken. Bekijk onze werkwijze en de vaste all-in tarieven voor de details.
Weet u niet zeker welk onderzoek bij uw situatie past? De keuzehulp loopt zes veelvoorkomende situaties met u langs.
Een casus voorleggen of direct een onderzoek aanvragen? Neem contact op met AD-Consult — u ontvangt een concreet voorstel met vraagstelling, tarief en planning.